You haven't had enough?
I got to give it to you, you're quite some determined reader.
Ok, now we have agreed upon your persistence, it's about time to tickle your
intellectual abilities further.
This page deals with various tenses of irregular verbs. The translations may put
some strain on you since my pages don't provide you with a dictionary (yet) enabling
you to translate every term used. I am not crazy! (Well maybe).
| 1. Verbs - basic conjugation 2. Past, present & future - Irregular verbs |
Instead of putting to in front of a verb like in English, Dutch uses what one calls the ‘whole’ verb. In this sense English is much more easy than Dutch that likes to change the verbs all the time. Most verbs end with -en. So it looks like nem-en, lop-en, fiets-en, houd-en, slap-en. Conjugations of pronouns always take place at the first part of the verb (stem = stam). Not necessary to say that these general rules mostly apply to regular verbs. Generally what happens is the following:
TO TAKE - NEMEN
| I take; I took, I have/had taken | - ik neem, ik nam, ik heb/had genomen |
| - the ‘whole’ verb is shortend to the ‘stem’ of the verb | |
| he/she takes, he/she took, he/she has taken | - hij/zij neemt, hij/zij nam, hij/zijheeft genomen |
| - the verb is complemented with a t | |
| we take, we took, we have taken | - wij nemen, wij namen, wij hebbengenomen |
| - 1st person plural takes the whole verb | |
| they take, they took, they have taken | - zij nemen, zij namen,zij hebben genomen |
| - plural takes the whole verb. | |
Past, present & future - Irreggular verbs
Since I got the pretense to be mr. Funnyguy, I have added some hidden clues to
famous songs, movies, quotes
and such in the example sentences. It's up to you to guess where they are taken from.
No prices to be won, alas (I'm not crazy).
Note: not all English irregular verbs, are irregular in Dutch and vice versa.
I won’t deal with these exceptions in the list and sustain with verbs irregular
both in English and Dutch..
For further information on word order I refer to:
Double Dutch and how to speak it - part 1, 'Word Order'
Since regular verbs are most easy to conjugate they are no fun!.
here we are going to have to deal with the challenge of irregular verbs.
If you can make up other funny examples, feel free to mail them.
Present Past tense Complete? tense Example
be was been To be or not to be
zijn was geweest Zijn of niet zijn
bear bore borne Can you bear this burden?
(ver)dragen (ver)droeg (ver)gedragen Kunt u de last dragen?
beat beat beaten He beat him to death
slaan sloeg geslagen Hij sloeg hem dood
become became become Death becomes her
worden werd geworden De dood past goed bij haar
befall befell befallen Something evil has befallen him
overkomen overkwam overkomen Er is hem iets slechts overkomen
begin began begun Begin the beguine
beginnen begon begonnen Begin begijn
bend bent bent He bent under the pressure
buigen boog gebogen Hij boog onder de druk
bid bade bidden I bid you!
bevelen beval bevolen Ik beveel u!
bind bound bound He was bound by oath in Oathbound
binden bond gebonden Hij was door eed gebonden
in Oathbound
bite bit bitten The dog bit me
bijten beet gebeten De hond beet me
blow blew blown Blow your horn
blazen blies geblazen Blaas je hoorn
break broke broken He broke the twig into pieces
breken brak gebroken Hij brak de tak in stukken
bring brought brought You don't bring me flowers anymore
brengen bracht gebracht Je brengt nooit meer bloemen mee
buy bought bought She bought him a scarf
kopen kocht gekocht Ze kocht hem een sjawl
cast cast cast ..cast the first stone
werpen wierp geworpen ...werpt de eerste steen
catch caught caught He caught her redhanded
vangen ving gevangen Hij betrapte haar op heterdaad
choose chose chosen What have you chosen?
kiezen koos gekozen Wat heeft u gekozen?
come came come Come as you are!
komen kwam gekomen Kom zoals je bent!
creep crept crept He crept upon his teacher
kruipen kroop gekropen Hij kroop naar zijn leraar
cut cut cut Cut the crap and stop beating
around the bush
snijden sneed gesneden Kappen met die onzin en draai
niet om de zaken heen
dig dug dug He dug a hole for another
graven groef gegraven Hij groef een gat voor een ander
do did done What have you done lately?
doen deed gedaan Wat heb je zoal gedaan?
draw drew drawn That’s where he drew the line
trekken trok getrokken Daar trok hij de lijn
drink drank drunk He drank a whole bottle of wine
drinken dronk gedronken Hij dronk een hele fles wijn
drive drove driven He drove his car into a ravine
(auto)rijden reed gereden He reed zijn auto een ravijn in
eat ate eaten We have eaten well
eten at gegeten We hebben goed gegeten
fall fell fallen He fell into a canyon
vallen viel gevallen Hij viel in een ravijn
fight fought fought He fought his own battle
vechten vocht gevochten Hij vocht zijn eigen strijd
fling flung flung She was flung out of the car
werpen wierp geworpen Zij werd uit de auto geworpen
fly flew flown Fly with me
vliegen vloog gevlogen Vlieg met mij
forbid forbade forbidden I forbid you
verbieden verbood verboden Ik verbied je
forget forgot forgotten I have forgotten what I
wanted to type
vergeten vergat vergeten Ik ben vergeten wat ik
wilde typen
forgive forgave forgiven I haven’t forgiven you
vergeven vergaf vergeven Ik heb je niet vergeven
freeze froze frozen When hell freezes over
vriezen vroor gevroren Als de hel bevriest
get got got I have got you babe
krijgen kreeg gekregen I heb je gekregen schat
give gave given He gave all he got
geven gaf gegeven Hij gaf alles
go went gone He went away
gaan ging gegaan Hij ging weg
hang hung hung He hung a picture on the wall
hangen hing gehangen Hij hing een foto aan de muur
hide hid hidden He hid behind the protective
back
verbergen verborg verborgen Hij verschool zich achter
haar beschermende rug
hit hit hit She hit him on the head
with her purse
slaan sloeg geslagen Ze sloeg hem op het hoofd
met haar tasje
hold held held Hold on to what you have got
vasthouden hield vast vastgehouden Houd vast aan wat je hebt
keep kept kept She kept something from him
houden hield gehouden Zij hield iets voor hem verborgen
know knew known I know, I know
weten wist geweten Ik weet het
(also: kennen, kende, gekend)
leap leapt leapt She leapt in faith
springen sprong gesprongen Zij sprong vol vertrouwen
leave left left Elvis has left the diner (Hey)
(ver)laten (ver)liet (ver)laten Elvis heeft de snackbar verlaten
let let let I just let it go
laten liet gelaten Ik liet het gewoon gaan
lie lay lain To lie with women is an abomination
liggen lag gelegen Liggen met vrouwen is walgelijk
lose lost lost Ricky don’t lose that number
verliezen verloor verloren Ricky verlies dat nummer niet
meet met met Meet my friend from...
ontmoeten ontmoette ontmoet Ontmoet mijn vriend(in) uit
read read read Read my lips
lezen las gelezen Lees mijn lippen
ride rode ridden The knight rode up to the peasant
rijden reed gereden De ridder reed naar de boer
rise rose risen The sun rose into splendor
opstijgen steeg op opgestegen De zon steeg op in glorie
say said said He said, she said
zeggen zei gezegd Hij zei, zij zei
see saw seen I haven’t seen you for a while
zien zag gezien Ik heb jou een tijdje niet gezien
seek sought sought They seek him here,
they seek him there
zoeken zocht gezocht Ze zoeken hem hier,
ze zoeken hem daar
sell sold sold She sells seashells
verkopen verkocht verkocht Zij verkoopt zeeschelpen
send sent sent She sent him a ‘dear John’
zenden/sturen zond/stuurde gezonden/gestuurd Ze zond hem een vaarwelbriefje
shine shone shone The sun shone me in the eyes
schijnen scheen geschenen De zon scheen in mijn ogen
shoot shot shot The sun shot daylight, daylight?
schieten schoot geschoten De zon schoot daglicht, daglicht?
shrink shrank shrunk Honey, I shrunk the kids
krimpen kromp gekrompen Schat, ik heb de kinderen gekrompen
shut shut shut Shut the door
sluiten sloot gesloten Sluit de deur
sing sang sung The kid sang out of tune (quite)
zingen zong gezongen Het kind zong vals (nogal
sink sank sunk The Titanic sank long ago
zinken zonk gezonken The Titanic zonk lang geleden
sit sat sat The maid sat on the daise
zitten zat gezeten De dienstmeid zat op de troon
sleep slept slept Don Juan supposedly slept
with many women
slapen sliep geslapen Don Juan sliep waarschijnlijk
met vele vrouwen
slide slid slid The snake slid towards its prey
glijden gleed gegleden De slang gleed naar zijn prooi
sling slung slung He slung the bag over his shoulder
werpen wierp geworpen Hij wierp de zak over zijn schouder
smell smelt smelt Can you smell it? The great outdoors
ruiken rook geroken (not to stink) Kan je het ruiken? De natuur
smite smote smitten She smit him on the face
slaan sloeg geslagen Ze sloeg hem in het gezicht
speak spoke spoken Do you speak dutch?
spreken sprak gesproken Spreekt u Nederlands?
spin spun spun The spider spun its web
spinnen spon gesponnen De spin spon haar web
split split split The rock was split in two
splijten spleet gespleten De rots was in tweeën gespleten
spoil spoilt spoilt The partybooper spoilt it all
bederven bedierf bedorven De pretbederver bedierf alles
stand stood stood She stood firm
staan stond gestaan Ze stond haar mannetje
steal stole stolen He stole a car, but
didn’t get far
stelen stal gestolen Hij stal een auto,
maar kwam niet ver
sting stung stung A bee stung me!
steken stak gestoken De bij stak me
(by a bee, or else the meaning would be to stab)
stink stank stunk He stank like the cesspit of hell
stinken stonk gestonken Hij stonk als de beerput van de hel
strike struck struck The batter struck a home run
slaan sloeg geslagen De slagman sloeg een homerun
swear swore sworn I solemnly swear it
zweren zwoor gezworen Ik zweer het plechtig
(not to curse)
swim swam swum The shark swam towards the
sealshaped surfboard
zwemmen zwom gezwommen De haai zwom naar de
zeehonvormige surfplank
take took taken Wait, I’ll take over now
nemen nam genomen Wacht, ik neem nu over
teach taught taught The mistress taught her
slave brand new games
onderwijzen onderwees onderwezen The meesteres leerde haar
slaaf gloednieuwe spelletjes
think thought thought I think you know what I am
talking about
denken dacht gedacht Ik denk dat je weet waar ik
het over heb
tread trod trodden He who treads here, dies
treden trad getreden Hij die hier treedt, sterft
wear wore worn Have you worn this frock before?
dragen droeg gedragen (clothing) Heb je die jurk eerder gedragen?
win won won I have won the lotery (yeah right)
winnen won gewonnen Ik heb de loterij gewonnen (tuurlijk
wind wound wound She wound him around her finger
winden wond gewonden Ze wond hem rond haar vinger
wring wrung wrung Herr Flick wrung ze anzer out of me
wringen wrong gewrongen Herr Flick wrong de antwoorden uit me
write wrote written My baby wrote me a letter
schrijven schreef geschreven Mijn lief schreef me een brief
Suggestions? Comments? Please drop me a note.
Any suggestion about improving this page will be welcomed as a pleasant surprise.
Back to Double Dutch - part 1
Back to Double Dutch - part 2 ©Rick Vermunt