| overzicht staatshoofden | historisch overzicht | Naar homepage

Prins Maurits.

Portret van Prins Maurits in wapenrusting.Moritz August van Oranje Nassau wordt geboren op 14 november 1567 op slot Dillenburg in het graafschap Nassau. Hij is een zoon uit het tweede huwelijk van Willem van Oranje (Willem de Zwijger) met Anna van Saksen. Zijn moeder verlaat het kasteel in de zomer van 1568. Maurits zou haar nooit meer terugzien. Zijn vader verblijft vooral in de Nederlanden om daar leiding te geven aan de opstand. Zijn opvoeding ontvangt Maurits daarom van zijn oom Jan van Nassau, samen met diens kinderen, onder wie Willem Lodewijk, de latere stadhouder van Friesland. De streng calvinistisch geschoolde kinderen studeren gezamenlijk in Heidelberg van 1575 tot 1577. Daarna voegt Maurits zich bij zijn vader in Holland. In 1582 werd hij student te Leiden.

Als Maurits in 1585 de leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt hij door Oranje aanhanger en Raadspensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, tot Stadhouder van Holland en Zeeland en Admiraal van de vloot had benoemd. Formeel staat hij onder het bevel van de graaf van Leicester, die tot gouverneur-generaal van de Nederlanden was benoemd door de Engelse koningin Elizabeth I. De soevereiniteit over de opstandige gewesten was haar in 1585 aangeboden. In 1590 en 1591 wordt Maurits bovendien stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel. Veel later, in 1618, krijgt hij ook de titel 'prins van Oranje' als zijn oudere broer Filip Willem overlijdt. Het leven van Prins Maurits staat in het teken van de strijd tegen de Spanjaarden waarbij hij grote successen boekt, zowel ter land als ter zee.

Maurits werkt vruchtbaar samen met Johan van Oldenbarnevelt, in 1586 raadspensionaris van Holland geworden: Van Oldenbarnevelt bespeelt de Hollandse Staten en de Staten-Generaal, Maurits treedt op als veldheer. Zijn eerste grote succes in die hoedanigheid is de herovering van Breda dankzij de list van het turfschip (1590). In het decennium dat volgt neemt hij, vaak samen met Willem Lodewijk, tal van belangrijke steden in (Nijmegen en Zutphen in 1591; Steenwijk en Coevorden in 1592; Groningen in 1594; Oldenzaal, Enschede en Grol in 1597), waardoor het grondgebied van de opstandige Nederlanden bijna verdubbelt. Voor de belegeringstechniek vertrouwt hij op de vindingen van Simon Stevin, zijn tactiek ontleent hij aan de oudheid. Als krijgsheer verwerft Maurits zich Europese faam.

In 1600 wordt Prins Maurits er door de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën erop uitgestuurd om Duinkerken te veroveren. De Duinkerkse kapers brengen de Republiek namelijk veel schade toe op zee. Bij Lombardsijde, nu Nieuwpoort geheten, komt Maurits het Spaanse leger onder leiding van Hertog Albrecht tegen. De strijd begint op 2 juli en wordt gewonnen door het leger van Prins Maurits. Het beleg van Nieuwpoort mislukt echter en Maurits, die vooraf al had geprobeerd om deze veldtocht af te houden, keert woedend terug naar de Nederlanden. Dit is het begin van de verwijdering tussen hem en Van Oldenbarnevelt.

Dan duikt Spinola met zijn leger op in de Zuidelijke Nederlandse Staten. Dit veroorzaakt onrust in de Nederlandse Republiek. Steeds meer regenten spreken over vrede met de Spanjaarden. Er zijn ook voorstanders van oorlog waaronder Prins Maurits en de Calvinisten die bang zijn voor de Rooms Katholieke invloed. Van Oldenbarnevelt gaat er tussenin zitten, hij is vóór de oorlog maar dan wel mét de steun van buitenlandse bondgenoten. Omdat dat er niet inzit, reist Prins Maurits (tegen zijn zin) op 1 februari 1608, samen met zijn halfbroer Frederik Hendrik, zijn neef Willem Lodewijk en een stoet van edelen naar Rijswijk om Spinola Marqués de los Balbases te ontmoeten. Vrede wordt er niet gesloten maar wel een 12-jarig bestand. De Zeven Gewesten mogen alles houden wat ze op dat moment bezitten en worden vrij verklaard. De vaart met Indië zal met rust worden gelaten net als de Kaapvaart en andere winstgevende handel. De toegefelijkheid van de Spanjaarden houdt met name verband met de overwinning op de Spanjaarden van Admiraal Jacob van Heemskerck in 1607 bij Gibraltar.

Aan het begin van de zeventiende eeuw ontstaat er in Nederland, onder invloed van de Leidse Hoogleraar Arminius, een nieuwe godsdienststroming. Deze 'remonstranten' hangen een meer liberale en minder dogmatische variant van het calvinisme aan. De tegenstanders van dit nieuwe geloof, de contra-remonstranten worden vertegenwoordigd door een andere Leidse Hoogleraar, Gommarus. Aanvankelijk houdt Prins Maurits zich afzijdig van deze godsdienst twist. Hij is van mening dat de geleerden die strijd maar moeten uitvechten. Op aandringen van zijn neef Willem Lodewijk, kiest hij uiteindelijk echter toch partij voor de contra-remonstranten. Maurits is namelijk bang dat het toestaan van remonstrantse geloof zal leiden tot een verzwakking van de kerk die de deur openzet naar een terugkeer van het katholicisme en de Habsburgse overheid. Ook militaire overwegingen spelen een rol bij deze keus. Van Oldenbarneveld daarentegen kiest de zijde van de remonstranten. Op 23 Juli 1617 toont Prins Maurits openlijk waarvoor hij staat: in 's Gravenhage krijgen de contra-remonstranten de beschikking over de oude Kloosterkerk en hij luistert daar naar de preek van voorganger Rosaeus. Op dat moment is de verwijdering tussen Prins Maurits en de raadspensionaris volledig.

Van Oldenbarnevelt ziet de tweespalt en stelt een stuk op dat later de naam de 'Scherpe Resolutie' zal krijgen. Daarin wordt gesteld dat er geen nationale synode zal worden gehouden en dat de steden 'waargelders' in dienst mogen nemen om de orde te handhaven. Op de Dordtse synode, in 1618 bijeengeroepen door de Staten-Generaal, wordt het theologische dispuut beslecht ten gunste van de contra-remonstranten. Prins Maurits schaft de 'waargelders' af. Hij begint daarmee in Utrecht en ondervindt daarbij geen gewapend verzet. Tegelijkertijd verandert hij de wet in de meeste Hollandse steden. Remonstrantse regenten worden vervangen door contra-remonstranten. De remonstrantse kerk wordt in de ban gedaan en de leiders van de beweging worden vervolgd. De 70 jarige Van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot, Hoogerbeets (pensionaris van Leiden) en Ledenberg (pensionaris van de Staten) worden in 1618 gevangen genomen. In 1619 wordt Van Oldenbarneveld onthoofd. Als Maurits in 1625 overlijdt , wordt de ban op de remonstranten opgeheven. Echter pas in 1795 zouden de remonstranten als officiële kerk erkend worden. Erg talrijk is de Remonstrantse Broederschap nooit geweest. In de tweede helft van de negentiende eeuw beleeft zij, als uitgesproken vrijzinnig kerkgenootschap, een hoogtepunt. In de tweede helft van de twintigste eeuw loopt het ledental sterk terug: van 40.000 in 1960 naar nog geen 10.000 in 2000.

In 1620, als Willem Lodewijk overlijdt, wordt Maurits stadhouder van Groningen en Drenthe (Friesland gaat naar Ernst Casimir). In 1621, na afloop van het 12-jarig bestand, hervatten de Spanjaarden de vijandigheden. Ook Maurits hervat de strijd, echter met weinig succes. Er gaan in het zuiden zelfs enkele steden verloren. Ook blijkt zijn staatmanskunst niet toereikend om te compenseren voor het verlies van Van Oldenbarnevelt. Lusteloos en ziek overlijdt hij op 23 april 1625 te 's-Gravenhage. Maurits is nooit getrouwd geweest, maar heeft wel een groot aantal verhoudingen gehad, onder meer met Margaretha van Mechelen bij wie hij drie zoons verwekte. Andere kinderen had hij bij tenminste vijf andere vrouwen. Hij wordt als stadhouder en kapitein-generaal opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik, die hem vanaf 1597 op zijn veldtochten heeft vergezeld.