| Vorige periode | Geschiedenis overzicht | Staatshoofden | Homepage

De Franken (400-1000)

In 406 vielen de Germanen Gallië binnen. De Franken trokken langs de Schelde naar het Zuiden. Daardoor ontstond er een uitgebreid tweetalig gebied met Galloromeinse oerinwoners en Frankische invallers. Na het uiteenvallen van het Romeinse rijk (476) volgden enkele chaotische eeuwen. Er onstonden een aantal stammenrijken, waarvan het Frankische Rijk het belangrijkste werd. Dit was het werk van Clovis uit de dynastie van de Merovingers. In de 7e eeuw kwam het noordelijke deel van het Nederlandse grondgebied te vallen onder de zogenaamde "hofmeiers", opzichters over de hofhouding van de Merovingers. Het zuiden was ondertussen gekerstend na de bekering van Clovis I. In de 8e eeuw krijgen de zogenaamde hofmeiers steeds meer macht. Eén van de machtigste hofmeier-families waren de Pippiniden. Toen in 751 de paus bedreigd werd door de Langobarden, kwam Pippijn III "de Korte" hem te hulp en werd daarvoor tot "Koning van de Franken" gekroond.

Vanaf 400
Als de Romeinen zich langzamerhand terugtrekken naar Rome, om zich van de Hunnen (Attilla) te ontdoen laten ze een machtsvacuüm achter in onze streek. Uit de mist komen er rond 450 na Christus twee belangrijke Frankische stammen de geschiedenis binnenstappen. De Ripuariërs, die een halve eeuw tussen Rijn en Maas hebben gewoond, en de Saliërs (waarnaar Salland is vernoemd) die tussen Rijn en Schelde wonen. De Salische Franken trekken Noord-Gallië binnen en veroveren onder hun aanvoerder Merovech, naar wie de Merovingische dynastie is genoemd, dit gebied.

476
In 476 onttroont de Germaanse vorst Odoaker de laatste West-Romeinse keizer. Er is nu geen sterk centraal gezag meer. De macht wordt overgenomen door plaatselijke heersers en er ontstaan vele kleine koninkrijkjes. In onze gewesten nemen de Franken de fakkel over. De Frankische krijgsheren geloven in de taal van het zwaard. Zij krijgen hun wapens zelfs mee in het graf. Aan het hoofd van één van die Frankische groepen staat Childerik, die behoort tot het geslacht van koning Merovech, naar wie de Merovingische dynastie genoemd is.

486: Clovis
In de vijfde eeuw vestigden de Franken zich aan de beneden Rijn. Toen Clovis in 486 de Romeinen had verslagen erkenden alle Frankische stammen hem als koning. Deze onstuimige vorst veroverde bijna geheel Frankrijk (Gallië) en een deel van Zuid Duitsland. Hij verplaatste zijn regeringscentrum naar Parijs, waardoor de Nederlanden een uithoek van het Frankische Rijk werden. Zijn bekering tot het Christendom vergemakkelijkte de versmelting van de Germaanse overheersers met de geromaniseerde bevolking. Hierdoor werd de basis gelegd voor de West-Europese cultuur die is opgebouwd uit Romaanse, Germaanse en christelijke elementen. Clovis verlegde zijn regeringscentrum naar Parijs waardoor de Nederlanden een uithoek worden van het Merovingische rijk.

511: de dood van Clovis
Na de dood van Clovis in 511 wordt zijn rijk onder zijn vier zonen verdeeld. Deze vier gebieden vergroeiden al snel tot twee grotere koninkrijken waarvan de grenzen niet vast lagen, namelijk Austrasië (in het Oosten) en Neustrië (in het Westen). Van de continue interne strijd in het rijk merkte men in de Noordelijke Nederlanden weinig, hier had men vooral last van de Friezen, die geregeld het Frankische Rijk binnenvielen. Het is de Austrasische koning Dagobert I (602-639) gelukt om in de strijd tegen de Friezen op te dringen tot Utrecht, waar hij een christelijk kerkje liet bouwen. Halverwege de zevende eeuw konden de Friezen echter ongestoord het Rijndelta weer heroveren.

687: hofmeijers nemen de macht over
Naarmate het rijk groter werd, verschoof de macht langzaam van de koning naar de hofmeiers, dit waren mensen uit de hoge adel, die het paleis en het vermogen van de koning beheerden. Vanaf de slag bij Tertry (687), waarin de Neustrische hofmeier werd verslagen, kwam de macht over het hele Frankenrijk in handen van de Austrasische hofmeier Pippijn II van Herstal (680-714), die de orde weer herstelde. Hij trok meteen naar het Noorden en versloeg in 689 de Friese koning Radbod bij Dorestad. De Friezen kwamen echter terug en werden in 719 pas definitief door Karel Martel verslagen.

695: Willibrordus
Willibrordus, een Angelsaksische monnik, wordt "bisschop der Friezen'. Hij sticht kerken in Utrecht en in het Hollandse kustgebied.

751: de Karolingen
Het Frankische erfrecht behandelde alle zoons gelijk waardoor het rijk versnipperde. Bovendien waren niet alle Merovingers van het formaat van Clovis. Dientengevolge kregen de hofmeiers (leiders van de Mervingische hofhouding) steeds meer macht. De Frankische hofmeijer, Pippijn 'de Korte' weet in 751 de paus over te halen om hem tot koning te zalven. Met Pippijn komen de Karolingen officieel aan de macht.

754: Bonifatius
De Angelsaksische evangelieprediker Bonifatius wordt in Dokkum vermoord door heidense Friezen.

768-814: Karel de Grote
Onder Karel de Grote die zijn vader Pippijn de Korte opvolgt, bereikt het Frankische rijk zijn grootste omvang. Het bestuur van het grote Frankische rijk was een enorme opgave. Van een sterk gecentraliseerde en krachtige regering kon geen sprake zijn. Veel moest worden overgelaten aan de plaatselijke machthebbers. Het rijk was ingedeeld in gouwen met een graaf aan het hoofd en, aan de grens gelegen markgouwen met een markgraaf (markies). Vaak vormden een aantal gouwen een hertogdom. De (mark)graven zorgden voor orde, rust en veiligheid, inden belasting voor de koning en spraken recht in diens naam. Veel geld was er niet meer in omloop. De koninklijke ambtenaren moesten dus op een andere manier worden beloond. Dit gebeurde vooral door het in leen geven van koninklijk land. Hiermee wordt de basis gelegd voor het feodale stelsel dat de latere middeleeuwen zal beheersen.

800: Karel de Grote tot keizer gekroond
Als dank voor de hem en het christendom bewezen diensten, kroonde de paus hem in de Kerstnacht van het jaar 800 in Rome tot keizer.

810/ca. 1000: Noormannen
Invallen van de Noormannen, Noord Germanen die vanuit Scandinavië rooftochten ondernamen. Gedreven door avontuur en overbevolking plunderden zij de kusten van West Europa. Het succes van de invasies kan verklaard worden door de snelheid waarmee ze werden uitgevoerd. De zware ruiterij van de Franken was daarop totaal niet voorzien. De vikingen waren kwetsbaar wanneer ze ergens overwinterden, want uiteindelijk waren ze steeds gering in aantal. Soms vestigden de Noormannen zich blijvend in de gebieden die ze overvielen (Engeland, Normandië, Zuid Italië). Ze ontplooiden ook handelsrelaties. Reeds in de vroege middeleeuwen vormden de kusten van de Noordzeen en Oostzee een migratie en handelsgebied voor de vikingen. In de handel tussen Scandinavië en het Frankische rijk vervulden de Friezen een belangrijke rol. Dorestad (Wijk bij Duurstede) groeide hierbij uit tot het belangrijkste handelscentrum.

814: Lodewijk de Vrome
Karel de Grote sterft. Hij wordt opgevolgd door zijn enige overlevende zoon Lodewijk de Vrome.

843: het verdrag van Verdun
In het Verdrag van Verdun wordt het rijk van Lodewijk de Vrome onder zijn zonen opgedeeld. Lotharius I kreeg de keizertitel, de Italiaanse bezittingen en het gebied tussen Schelde, Maas, Saône, Rhône en Rijn, dat als Midden-Francië betekend werd. Karel "de Kale" kreeg het gebied West-Francië en de derde broer, Lodewijk de Duitser, Oost-Francië. De Nederlanden vallen grotendeels toe aan Lotharius I, behalve Vlaanderen dat bij het West-Frankenland van Karel 'de Kale' komt. Lotharius I stierf al in 855 en ook zijn rijk werd weer in drie delen verdeeld, waarvan zijn zoon Lotharius het noorden kreeg (tussen Friesland en Jura), het gebied dat later ook "Lotharingen" werd genoemd.

870: het verdrag van Meersen
Lotharius I wordt opgevolgd door zijn zoon Lotharius II. Na de dood van Lotharius II in 869 is zijn koninkrijk Lotharingen, bij gebrek aan een wettige opvolger, aan verwarring ten prooi. Uiteindelijk wordt het gebied verdeeld tussen zijn ooms Karel de Kale en Lodewijk de Duitser. Deze verdeling wordt vastgelegd bij het 'Verdrag van Meersen'. Het noordelijke gedeelte (Nederland boven de rivieren) gaat naar Lodewijk 'de Duitser' en het zuidelijke deel (waaronder Brabant en Zeeland) gaat naar Karel "de Kale".

 

| Volgende periode | Geschiedenis overzicht | Staatshoofden | Homepage