| | Vorige periode | | Geschiedenis overzicht | | Staatshoofden | | Homepage |

Leenmannen (1000-1400)
Door verzwakking van het centrale gezag, invallen van de Noormannen en koninklijke schenkingen ontstaan zo rond het jaar 1000 half-onafhankelijke vorstendommetjes. De relaties tussen hoge en lagere heren en het volk komen vast te liggen in het feodale stelsel (leenstelsel). De basis van het feodale stelsel was de persoonlijke band tussen een machthebber, de' leenheer', en zijn vazal, de 'leenman'. De leenmannen kregen van de leenheer landerijen en rechten in 'leen' en mochten de opbrengsten daarvan gebruiken voor hun levensonderhoud en hun bewapening. De leenman verplichtte zich tot trouw aan zijn heer en tot militaire dienst. Het ter beschikking stellen van leengoed had aanvankelijk een tijdelijk karakter maar op den duur groeide het bezit van leengoed uit tot een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen. In de 14de eeuw was dat erfelijk bezit van leengoed al sinds onheugelijke tijden gewoon. Uit de leenmannen ontstaat de ridderstand. Ook de geestelijkheid vormt een eigen stand. Vanaf de twaalfde eeuw gaat de burgerij de 'derde stand' vormen, met eigen privileges. Enkele mini-staatjes in de Nederlanden in deze periode: Holland, Brabant, Gelre en het bisdom Utrecht.
ca.
1000: aanleg van dijken.
Het begin van de drooglegging van de 'Hollands-Utrechtse laagvlakte'. Oprichting
van waterschappen volgt na 1200. In deze bestuursorganen zou de kiem zijn gelegd
van de Nederlandse consensus-traditie.
1253:
graaf Willem II sneuvelt.
Willem II, koning van Duitsland en graaf van Holland, sneuvelt bij Hoogwoud
tegen de opstandige Friezen.
1276:
geboorte Hertog Jan II.
Hertog Jan II van Brabant en Limburg (ca.1276-1312) wordt geboren, een zoon
van Jan I en Margaretha van Dampierre. Hij huwde op 30 juni 1290 Margaretha
van York, dochter van de Engelse Koning Eduard I.
1296:
graaf Floris V wordt vermoord.
Graaf Floris V, zoon van Willem II ("Der keerlen God' = God van de boeren),
wordt bij het Muiderslot door edelen vermoord.
1299:
het Hollandse gravenhuis sterft uit.
Hollandse gravenhuis sterft uit. Holland en Zeeland in personele unie verenigd
met Henegouwen.
±
1300: ridders en gilden.
- Het tot ridder slaan kwam in gebruik
- De ambachtslieden gingen samenwerken in gilden
1312:
Hertog Jan III.
Het gaat economisch slecht in Brabant en er ontstaan problemen voor Hertog Jan
II, hij moest zich binden aan het Charter van Kortenberg (27 september 1312).
Dit hield in dat er een raad kwam met vier Ridders en 10-12 vertegenwoordigers
van de steden, die toezicht hield op het hertogelijke bestuur en om de rechten
van een ieder te handhaven. Hertog Jan II overlijdt in datzelfde jaar en Jan
III wordt tot hertog van Brabant gekroond.
1314:
aanhoudende regen.
Een jaar vol met regen treft de Lage Landen. De IJsseldijk bij Drempt brak door,
later nog 3 keer, de Rijndijk bij Meinerwijk moest worden hersteld, en diverse
dijken braken langs de Waal en de Maas. In Gent wordt geschreven dat de oogsten
verrotten.
1316-1317:
hongersnood.
De eerste grote hongersnood van de late middeleeuwen treedt op in de jaren 1316-17.
Door de aanhoudende regens in 1315 was de oogst mislukt en waren er onvoldoende
wintervoorraden. Het gevolg was een enorm voedseltekort dat vele slachtoffers
eiste. Vanaf dit moment kennen de Zuidelijke Nederlanden regelmatig periodes
van voedseltekorten. Als gevolg van de overbevolking leidde iedere toevallige
misoogst tot hongersnood. Het steeds weerkerende karakter had tot gevolg dat
de laagste klassen geen reserves konden opbouwen en daardoor regelmatig zwaar
ondervoed raakten hetgeen leidde tot ernstige lichamelijke verzwakking.
1329:
Hertog Jan III breidt zijn macht uit.
Hertog Jan III van Brabant zijn macht wordt steeds groter, hierdoor keren diverse
Nederlandse Vorsten, van 1329 tot 1334 zich tegen hem, aangewakkerd door de
Franse Koning Filips VI van Valois. Bij de Vrede van Amiens bepaalt de Franse
Koning dat Hertog Jan III, Brabant, Tiel, Heerewaarden en Zandwijk aan Gelre
af moet staan maar de Luikse enclave Mechelen mag inlijven.
1346-1354:
Hoekse en Kabeljauwse twisten.
Met de strijd om de opvolging van de kinderloos gestorven graaf Willem IV beginnen
in Holland de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Dergelijke twisten zullen tot het
einde van de 15de eeuw nog diverse malen opduiken. Ze dragen bij tot vorming
van een vertegenwoordiging waarin adel en steden politieke invloed kunnen uitoefenen
op de graaf (Staten).
1348:
pestepidemie.
Een grote pestepidemie, maakt in de jaren van 1347 - 1351 in Europa niet minder
dan 75 miljoen slachtoffers. Door de permanente staat van ondervoeding van de
bevolking in Brabant, sloeg de ziekte daar in 1348 ongemeen hard toe. Doordat
de pest zo zoveel slachtoffers maakte, ontstond er een tekort aan arbeidskrachten.
Hierdoor was er niet genoeg mankracht beschikbaar om het land te bewerken waardoor
voedseltekorten ontstonden. Als gevolg daarvan verzwakte de bevolking waardoor
de pest opnieuw kon toeslaan. Hongersnood en pest hadden een wisselwerking met
elkaar. Na 1350 werd vrijwel elke generatie geconfronteerd met een grote pestepidemie.
Op sommige plaatsen liet een derde van de bevolking het leven. De pest was feitelijk
een bacil, die huisde in rattenvlooien. De ratten werden aangetrokken door het
vele vuil en afval dat in de steden op straat lag te rotten. De ziekte kon zich
door die onhygiënische toestanden snel verspreiden. Er bestonden twee varianten:
de longpest had een zekere dood binnen drie dagen tot gevolg, de tweede soort
was de builenpest, deze bood een iets betere overlevingskans. Voor de middeleeuwers
was de pest een straf van God. Zij probeerden boete te doen via publieke zelfkastijdingen.
Anderen beschuldigden de Joden ervan het water te hebben vergiftigd. Er werden
Jodenvervolgingen georganiseerd, dikwijls op initiatief van de overheid, zoals
in 1350 in Brabant, Henegouwen en Luxemburg. De doodsangst voor de steeds weerkerende
dood kwam ook tot uitdrukking in de kunst en cultuur, bijvoorbeeld de schilderijen
van Jeroen Bosch.
1355:
dood van Hertog Jan III.
Hertog Jan III van brabant overlijdt. Hij wordt opgevolgd door zijn dochter
Johanna. In het jaar van hun huwelijk (1354) verheft de Duitse Koning Karel
IV Luxemburg tot Hertogdom. Hij komt zo eigenlijk op een goedkope manier aan
een huwelijksgeschenk. Het kersverse hertogdom vormt namelijk het geschenk ter
gelegenheid van het huwelijk van zijn halfbroer Wenceslas en Hertogin Johanna
van Brabant. Sindsdien draagt Wenceslas I de naam 'van Luxemburg'.
1356:
de 'Blijde Incomste'.
In dit jaar werd de "Blijde Incomste" vastgesteld voor Hertogin Johanna
van Brabant en haar man Wenceslas I van Luxemburg. Dit document werd een soort
van grondwet. Het verdeelde de macht tussen de hertog en de vertegenwoordiging
van het volk, zijnde de Staten van Brabant. De Statenvergadering bestond uit
drie standen: de adel, de geestelijkheid en de derde stand. De vorst mocht geen
oorlog verklaren of verdragen sluiten, geen muntdevaluaties of belastingen heffen
zonder toestemming van de Staten. De 'Blijde Inkomst' bepaalde eveneens de ondeelbaarheid
van het Brabants grondgebied. Op deze manier wilden de staten eventuele problemen
als gevolg van de omstreden opvolging van Hertog Jan III voorblijven.
1356-1357:
de Brabantse successie oorlog.
Lodewijk van Male, Graaf van Vlaanderen, die getrouwd is met een jongere dochter
van Hertog Jan III, wil ook een deel van de erfenis van de Hertog. De Vlamingen
boeken grote successen, maar worden gestuit door het gewestelijk patriotisme,
belichaamd in figuren als de Brusselse patriciër Everaerd t' Serclaes.In
1357 wordt de Vrede van Ath gesloten. Door bemiddeling van Willem V van Holland-Henegouwen
sluiten Brabant en Vlaanderen vrede. Vlaanderen krijgt Mechelen en Antwerpen.
| | Volgende periode | | Geschiedenis overzicht | | Staatshoofden | | Homepage |