| | overzicht staatshoofden | | historisch overzicht | | Naar homepage |
Keizer Claudius
Klik
hier voor een kaart van het Romeinse rijk (Romani Imperii imago,
Antwerpen: Plantijn, 1579).
Tiberius Claudius Drusus werd geboren op 1 augustus 10 v.Chr. te Lugdunum (Lyon) als jongste zoon van Nero Claudius Drusus (de broer van keizer Tiberius) en Antonia de Jongere (een dochter Marcus Antonius en Augustus' zuster Octavia). Hij was dus een achterneef van keizer Augustus. Toen zijn broer Germanicus, oorspronkelijk Tiberius Claudius Nero genaamd, in 4 n.Chr. door Tiberius werd geadopteerd en daarmee overging van het Claudische naar het Julische geslacht, ruilde Claudius zijn eigen bijnaam (Drusus) met die van zijn broer (Nero). Voortaan heette hij dus Tiberius Claudius Drusi Germanici filius Nero Germanicus, meestal vereenvoudigd tot Tiberius Claudius Nero Germanicus.
Claudius was een man met een waterhoofd. Zijn ene been was ongeveer tien centimeter langer dan het andere waardoor hij geweldig hinkte. Hij had vaak last van zijn maag. Hij kwijlde voortdurend en door een irritante zenuwtrek (hij schudde met zijn hoofd) en een hinderlijk spraakgebrek (hij stotterde verschrikkelijk) werd hij door zijn omgeving voor idioot versleten. Achter zijn wereldvreemd uiterlijk ging in werkelijkheid een verstandige en belezen man schuil, auteur van boeken als "Geschiedenis van de Etrusken" (voorzien van een Etruskisch-Latijns woordenboek) en "Geschiedenis van de Carthagers". Deze werken zijn helaas allemaal verloren gegaan. Claudius wordt echter door Plinius de Oudere op verschillende plaatsen in zijn Naturalis historia vermeld als bron en bovendien gerekend bij de honderd meest geleerde auteurs van zijn tijd.
Claudius politieke carrière kwam maar moeilijk van de grond. Hoewel Augustus wel had begrepen dat Claudius niet zo dom was als hij eruitzag, liet hij hem geen enkel openbaar ambt bekleden, behalve dat van augur (een soort priester). Bij zijn dood (14 n.Chr.) werd Claudius wel lid van de sodales Augustales, een college dat de cultus van de overleden keizer in stand hield. Ondanks zijn uitdrukkelijk verzoek om een meer serieuze taak werd Claudius ook onder keizer Tiberius nog steeds niet in de senaat opgenomen, hoewel hij op het einde van diens regering (37 n.C.) reeds 46 jaar oud was. Wel verleende Tiberius hem de ornamenta consularia, eerder een eretitel dan een reële functie. Pas tijdens de regering van zijn voorganger Caligula kon Claudius aan een echte politieke loopbaan beginnen. Hij bekleedde het ambt van consul suffectus en werd priester van Jupiter Latiaris, onder welke naam Caligula zich liet vereren. Om tot dit college toe te treden moest hij maar liefst 8 miljoen sestertiën betalen, wat meteen zijn persoonlijk bankroet veroorzaakte.
Claudius' gezinsleven was niet erg gelukkig. Op jonge leeftijd verloofde hij zich met Aemilia Lepida, een achterkleindochter van Augustus, maar die verloving werd verbroken toen haar ouders werden veroordeeld in 8 n.Chr. Daarop kreeg hij de hand van Livia Medullina Camilla maar zij stierf op de dag van het geplande huwelijk. In ca. 10 n. Chr. trouwde Claudius dan toch voor de eerste maal met Plautia Urgulanilla, die hem twee kinderen schonk: Drusus en Claudia (beiden overleden op jonge leeftijd). Hij liet zich van haar scheiden, omdat zij het niet al te nauw nam met de huwelijkstrouw. Claudius' tweede vrouw was was Aelia Paetina, bij wie hij vader werd van Claudia Antonia. Ook dit huwelijk liep uit op een echtscheiding. In 38/39 n.Chr. trouwde Claudius dan met Valeria Messalina, bij wie hij twee kinderen kreeg: Claudia Octavia (die later zou trouwen met keizer Nero) en Tiberius Claudius Caesar Germanicus Britannicus (die na de dood van zijn vader werd vermoord). Claudius laat Valeria Messalina in oktober van het jaar 48 n.Chr. terechtstellen vanwege haar seksuele uitspattingen (zij was publiekelijk getrouwd met haar minnaar). Kort daarop (begin 49 n.Chr.) trouwde Claudius voor de vierde en laatste keer met Julia Agrippina de Jongere (de oudste dochter van Claudius' broer Germanicus en dus zijn bloedeigen nicht).
Op
24 januari 41 n.Chr. werd Claudius geheel onverwacht keizer tot keizer uitgeroepen.
Hij kon de moord op Caligula en zijn familie natuurlijk niet ongestraft laten.
Daarom werden Cassius Chaerea en zijn aanhangers ter dood veroordeeld (de
betrokken senatoren werden gespaard). Voor het overige kondigde hij een algemene
amnestie af voor alles wat tijdens de eerste twee turbulente dagen van zijn
regering was gezegd of gedaan. Pas dertig dagen na zijn troonsbestijging verscheen
Claudius voor het eerst in de senaat. Hij maakte er geen geheim van dat dit
was bedoeld als veiligheidsmaatregel (Claudius had door de moord op Caligula
zijn lesje geleerd). Zelfs op vergaderingen of banketten bij hem thuis moest
iedereen die in zijn buurt kwam, gefouilleerd worden.
Claudius begon zijn regering met het ongedaan maken van een aantal maatregelen van zijn voorganger. Ballingen werden teruggeroepen, geconfisceerde eigendommen werden teruggegeven, bezwarende documenten werden vernietigd enz. Hij besteedde veel aandacht aan het bestuur van het rijk: de keizerlijke bureaucratie werd gecentraliseerd en de financiën gereorganiseerd. Een aantal bevoegdheden werden ontnomen aan de senaat. De traditionele magistraturen bleven grotendeels bestaan, maar toch werden hun soms nieuwe bevoegdheden toebedeeld en werden er een aantal nieuwe ambten gecreëerd. Wat Claudius' relatie met het leger betreft, valt op dat hij, ondanks het feit dat hij zelf geen militaire achtergrond had, toch heel populair was bij zijn troepen.
Tijdens Claudius' regering werden er diverse opstanden onderdrukt de Romeinse provincies, zoals Mauretanië, Germanië, Parthië, Armenië, Lycië, Cilicië enz. Veel belangrijker was echter de verovering van Brittannië. In 43 n.Chr. staken vier legioenen het Kanaal over. Dit leger, zo'n 40.000 man sterk, stond onder de leiding van Aulus Plautius. Na een eerste treffen wachtten de troepen bij de Thames op de komst van de keizer zelf. Die nam gedurende zestien dagen het opperbevel over. Onder zijn commando veroverden de Romeinen Camulodunum (Colchester), waarna zij in verschillende richtingen verder trokken en nog een aantal naburige stammen onderwierpen. Na een glansrijke afsluiting van zijn veldtocht keerde Claudius begin 44 n.Chr. naar Rome terug. Daar vierde hij zijn triomf, ontving van de senaat voor hem en zijn zoon de bijnaam Britannicus, en kreeg een triomfboog op het Marsveld.
Claudius droeg de stad Rome een warm hart toe. Hij was in het bijzonder begaan met de voedsel- en watervoorziening van de Romeinse hoofdstad. Hij zorgde daarom voor de aanleg van een nieuwe haven in Ostia herstelde en bouwde nieuwe aquaducten. Dat vereiste uiteraard ook een goede stedelijke organisatie. Zijn regeringsperiode werd dan ook gekenmerkt door intense bouwkundige en organisatorische activiteiten die ongekend waren sinds de tijd van Augustus. Ondanks Claudius' religieuze interesses bleef zijn godsdienstige bouwpolitiek beperkt: er werden enkel een aantal altaren opgericht, zoals de Ara Pietatis Augustae en de Ara Iovis Depulsoris. Hetzelfde gold voor gebouwen met spektakeldoeleinden: alleen de Circus Maximus werd verbeterd en het theater van Pompeius gerestaureerd. Voor herdenkingsbouwwerken daarentegen, toonde Claudius grote interesse.
Ondanks alle goede bedoelingen die hij ongetwijfeld had, was niet iedereen het eens met de keuze van Claudius als keizer en met zijn beleid. Hij moest dan ook verschillende keren afrekenen met een opstand of een samenzwering. Het gevolg van die samenzweringen was dat Claudius, die van nature al wat paranoïde was, maar liefst 35 senatoren en 200 à 300 ridders ter dood liet brengen. Zijn voorzorgsmaatregelen en paranoïa kunnen echter niet voorkomen dat hij toch het slachtoffer van een aanslag wordt. Claudius overlijdt op 13 oktober 54 n.Chr. ten gevolge van vergiftiging. Zijn vrouw Agrippina had Claudius weten over te halen om haar eigen zoon uit een vorig huwelijk, Lucius Domitius Nero, te adopteren en hem te benoemen als zijn opvolger in plaats van Claudius' eigen zoon Brittannicus. Omdat ze bang was dat Claudius Britannicus alsnog als opvolger zou aanwijzen en ook omdat haar positie aan het hof door intriges in een lastig pakket terecht was gekomen, besloot ze in 54 v. Chr. Claudius te laten vermoorden. De voorproever Halotus, die betrokken was bij het complot deed wat vergif op een paddestoel. Het enige dat Claudius er aanvankelijk van kreeg was buikloop. Om de keizer te helpen, hielden ze een veertje in zijn keel om hem zodoende te laten overgeven. Het veertje was echter rijkelijk bestrooid met gif!
Claudius overleed, Nero kwam inderdaad op de troon en zou, in zijn waanzin, het definitieve einde inluiden van de Julisch-Claudische dynastie.
Bronnen: