| | overzicht staatshoofden | | historisch overzicht | | Naar homepage |
Koning Willem I.
Willem
Frederik van Oranje Nassau wordt in 1772 in Den Haag geboren als oudste zoon
van Prins Willem V, de laatste stadhouder
van de Nederlanden, en Wilhelmina van Pruisen. Van 1791 tot 1837 is hij getrouwd
met zijn nicht Wilhelmina van Pruisen. Uit dit huwelijk worden drie kinderen
geboren: Willem in 1792 (de latere Koning Willem II), Frederik in 1797 en Marianne
in 1810.
Willem I leidt als kapitein-generaal de operaties tegen de Fransen in de jaren 1793-1795. Hij vecht vanuit Duitsland tegen de Bataafse Republiek en daarna tegen de Fransen. Als de Fransen overwinnen, ziet hij zich genoodzaakt om met zijn gezin het land te verlaten. Hij vestigt zich eerst in Engeland en later in Duitsland. Het verdrag van Parijs (1814) voorziet in de samenvoeging van Nederland en België in één koninkrijk en Willem I wordt uitgeroepen tot koning. In 1815 staat hij, onder druk van het Weense Congres, zijn bezittingen in Duitsland en Pruisen af en ontvangt in plaats daarvan het Groothertogdom Luxemburg dat toen een grondgebied omvatte dat ruim twee maal zo groot was als het huidige Luxemburg.
Willem I is afkerig van meeregeren door de Staten Generaal en regelt alles zoveel mogelijk via Koninklijk Besluit. Het lukt hem in de loop der jaren de Grondwet zodanig uit te leggen dat zijn soevereiniteit als het ware boven de wet komt te staan. Op die manier kan hij op autocratische wijze het land besturen. De belangstelling van Willem I gaat vooral uit naar de handel en economie. Door zijn bemoeienissen op dit gebied, krijgt hij de bijnaam 'koning koopman'. Hij wil van het Koninkrijk een economische reus maken waarbij het noorden zich vooral bezighoudt met de handel en het zuiden zich meer richt op de industrie. Deze welvaartspolitiek moet de twee landsdelen binden en het Koninkrijk een plek geven tussen de grote mogendheden.
Hij voert een uniform belastingstelsel in dat tot doel heeft om de grote staatsschuld af te lossen. Daarbij kiest hij voor een belastingstelsel dat aansluit bij de Noord-Nederlandse economie. Als compensatie voor het zuiden richt hij het Fonds voor Nijverheid op. Dit Fonds verleent leningen en subsidies aan de Zuid-Nederlandse industrie, zodat die geen last ondervindt van het nieuwe belastingstelsel. Voor het noorden wordt de Nederlandse Handels Maatschappij opgericht, die zich met name richt op de handel tussen het Koninkrijk en Oost-Indië. Ook zorgt Willem I voor banken die de economie nieuwe impulsen moesten geven. Zo richt hij De Nederlandse Bank op die een modernisering betekent voor het geldverkeer. Daarnaast zorgt hij voor verbeteringen in de infrastructuur, de nijverheid en de stoomvaart.
Het is Willem I's persoonlijke doel om ervoor te zorgen dat zijn 'Groot-Nederland' als eenheid functioneert. Door het 'vernederlandsen' van bestuurlijke instellingen wil hij, via de taal, een eenheid in het koninkrijk creëren. De Franse invloed in het zuiden houdt dit proces echter tegen. Daarnaast leidt zijn inbreng op kerkelijk gebied en in het onderwijs tot spanningen in het zuiden die uiteindelijk culmineren in de Belgische Revolutie. De opstand ontstaat op 25 augustus1830 (na de voorstelling van de nationalistische opera "La Muette de Portici" van D.F.E. Auber te Brussel) en wordt aangewakkerd door Francofielen en katholieke geestelijken. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van het gevoel van onvrede onder de lagere sociale klassen. Veel arbeiders zijn werkloos en door de misoogst van 1830 is de bevoorrading in de knel gekomen. De Belgische revolutie is dus eigenlijk niet alleen een politieke maar ook een sociale opstand.
Prins Frederik, zoon van Willem I, arriveert op 23 september 1830 met 12.000 man troepen in Brussel en bezet de stad. Bij de daarop volgende gevechten komt het Voorlopig Bewind tot stand, dat op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uitroept. Het Nationaal Congres, verkozen op 3 november 1830, bevestigt dit en kondigt enkele maanden later op 7 februari 1831 een liberale Grondwet af. Dat de Belgen kiezen voor een monarchie en voor het huis Saksen-Coburg, is ter wille van de grote mogendheden. Die erkennen de afscheiding op 20 januari 1831 met "De grondslagen van de scheiding" waarin de grenzen worden vastgelegd en België eeuwige neutraliteit wordt opgelegd.
Willem I stuurt in 1831 zijn oudste zoon, de latere koning Willem II, naar Brussel om daar met geweld de orde te herstellen. Deze "Tiendaagse Veldtocht" wordt een fiasco omdat de kroonprins zich tot onderhandelingen laat verleiden. Hoewel Willem I geen steun krijgt van de Europese grootmachten, blijft hij zich koppig tegen de afscheiding verzetten. Dit veroorzaakt bijna het bankroet van de staat en zijn reputatie als financieel genie loopt behoorlijk schade op. In 1839 ziet hij zich uiteindelijk toch gedwongen om vrede te sluiten met de jonge Belgische staat. Bij deze gelegenheid moet hij ook de huidige Belgische provincie Luxemburg, die toen nog deel uitmaakte van het Groothertogdom Luxemburg, aan België afstaan. De afscheiding vereiste bovendien een grondwetswijziging, waarbij ook de strafrechtelijke verantwoording voor de Koning wordt ingevoerd (1840). Deze inperking van zijn macht is vrij onbeduidend, maar Willem vindt dit al veel te ver gaan.
Zijn teleurstelling over de de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden en feit dat zijn onderdanen blijven aandringen op een liberale grondwet, zijn de redenen dat Willem I op 7 oktober 1840 teleurgesteld afstand doet van de troon. Na zijn aftreden vestigt hij zich in Berlijn waar hij trouwt met de Zuidnederlandse katholieke gravin d'Oultremont. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon koning Willem II. Onder diens bewind wordt de zo gewenste herziening van de grondwet een feit.