| overzicht staatshoofden | historisch overzicht | Naar homepage

Lotharius II

Een van de meest kostbare voorwerpen van de middeleeuwse goudsmeedkunst is het kruis van lotharius dat tegen het einde van de 10e eeuw ontstaan is. De inscriptie omlijst een profielafbeelding van koning Lotharius II (855-869).  Voor een overzicht van de stamboom van de Karolingen: click hier

Lotharius II, werd geboren rond 835 als zoon van Lotharius I en Irmingard van de Elzas. Na het overlijden van zijn vader krijgt hij koning het noordelijke gedeelte van diens middenrijk (dat later naar hem ‘Lotharingen’ genoemd gaat worden). In 855 wordt hij te Frankfurt, in aanwezigheid van zijn oom Lodewijk II 'de Duitser', tot koning geproclameerd. Kort daarna wordt hij in Aken gekroond en gezalfd.

De regering van Lotharius II regering staat in het teken van zijn kinderloze huwelijk met Theutberga van Arles. In 857 probeert Lotharius van haar te scheiden, ten faveure van zijn maitresse Waldrada, bij wie hij in 855 een zoon, Hugo, heeft verwekt. Waldrada schenkt hem ook nog drie dochters: Gisela, Bertha en Ermengard. Overigens is de afkomst van Lotharius maitresse Waldrada een groot raadsel. Een Hollands getinte oplossing is dat zij de dochter van Radboud IV van Friesland zou zijn. Er bestaan echter ook theorieën over een afkomst uit het Maas-Moezelland of uit de Etichonen-familie.

Aartsbisschop Hinkmar van Reims is tegen de ontbinding van het huwelijk tussen Lotharius en Theutberga en hij vindt een sterke medestander in paus Nicolaus I. Op verschillende synodes wordt de scheiding goedgekeurd en vervolgens weer afgekeurd. In 862 trouwt hij met Waldrada. Het huwelijk zal echter niet geldig blijken. Uit deze huwelijksperikelen, die zijn regering zwaar belasten, blijkt dat de kerk steeds grotere invloed op het huwelijksrecht krijgt. Alleen door de kerk goedgekeurde huwelijken zijn nog legaal.

Lotharius tracht de samenwerking tussen de Karolingische deelrijken te redden door herhaald overleg met zijn beide ooms Lodewijk 'de Duitser' en Karel 'de Kale'. In 860 bevestigt hij te Koblenz nogmaals het Verdrag van Verdun.In 863 overlijdt zijn broer Karel 'van Bourgondië'. Diens zuidelijke deel van het middenrijk wordt verdeeld tussen Lotharius en zijn andere broer Keizer Lodewijk (die ook Italië bezat). Het rijk van Lotharius wordt nu uitgebreid tot en met Lyon.

In 865 wordt Lotharius door Paus Nicolaus I verplicht Theutberga weer als zijn vrouw terug te nemen en Waldrada naar Rome te laten gaan. Dit betekent dat hij zijn zoon Hugo niet als wettige erfopvolger kan erkennen hetgeen zijn beide ooms niet slecht uitkomt want dat zou betekenen dat de gebieden van Lotharius bij diens dood aan hen zouden toevallen. In 867 staat Lotharius de Elzas af aan zijn oom Lodewijk II 'de Duitser', om zijn gunst met betrekking tot de erfopvolging van zijn zoon Hugo te verwerven. Hugo mag zich dan hertog van Elzas noemen, maar is ondergeschikt aan Lodewijk II.

Lotharius blijft zich verzetten tegen de regeling die hem is opgelegd door Paus Nicolaus. Bij diens opvolger, paus Hadrianus II, hoopt hij op een gewilliger oor. In een poging de nieuwe paus gunstig te stemmen reist Lotharius in 869 naar Rome. Het resultaat van dit bezoek is dat hij inderdaad toestemming krijgt om te scheiden. Zover komt het echter niet, want op de terugreis sterft hij onverwachts, slechts 34 jaar oud, te Piacenza. Hij is begraven in de abdij aldaar.

Na zijn dood is zijn koninkrijk Lotharingen, bij gebrek aan een wettige opvolger, aan verwarring ten prooi. Uiteindelijk wordt het gebied verdeeld tussen zijn ooms Karel en Lodewijk. Deze verdeling wordt in 870 bij het Verdrag van Meersen vastgelegd waarmee Hugo's erfdeel ook op papier verdwijnt. Het noordelijke gedeelte (Nederland boven de rivieren) gaat naar Lodewijk 'de Duitser' en het zuidelijke deel (waaronder Brabant en Zeeland) gaat naar Karel 'de Kale'.

Hugo, de niet erkende erfgenaam van Lotharius, zit niet bij de pakken neer. Hij probeert in 877 met geweld zijn erfenis op te eisen, daarbij gesteund door de Lotharingse adel. Het lukt hem echter niet zijn errfdeel te bemachtigen, waarop hij in 878 door paus Johannes VII wordt verbannen. In 885 onderneemt Hugo een nieuwe poging. Tijdens een verblijf van Karel III 'de Dikke' in Italië (die dan inmiddels Lotharingen heeft geërfd) probeert Hugo om met behulp van Godfried 'de Noorman' nogmaals de Lotharingse kroon te veroveren. Ook deze poging loopt op niets uit. Hugo wordt in Gondreville in een hinderlaag gelokt en gevangen genomen. Als gruwelijke straf voor zijn opstand worden zijn ogen uitgestoken. Hij slijt zijn laatste levensjaren als monnik in het klooster Prüm.

Bronnen: