| | Geschiedenis overzicht | | Staatshoofden | | Naar homepage |

De prehistorie
Wat tegenwoordig Nederlands grondgebied is, wordt al heel lang door mensen bewoond. Het deltagebied van de Noordwest-Europese rivieren is aanvankelijk het terrein van nomaden. De oudste sporen van bewoning zijn waarschijnlijk van soortgenoten van Homo Heidelbergensis oftewel Homo Erectus, of van Neanderthalers geweest. Die zijn in een grot bij Maastricht gevonden. Vanaf de 2e eeuw vestigingen zich Germaanse stammen permanent in het gebied van de Nederlanden. Deze Germanen kwamen vanuit het oosten en trokken in stammenverplaatsingen naar het westen. Dit was het begin van de Volksverhuizing, die haar hoogtepunt rond 400 na Chr. zou krijgen. Ca. 100 voor Chr. vestigen Germaanse stammen zich blijvend in de Lage Landen: Kaninefaten langs de kust, Tubanten in het oosten, Bataven langs de rivieren, Friezen in het westen en noorden.
Vanaf
14000 v. Chr.: paleolithicum (de oude steentijd)
Zo'n 14.000 jaar v. Chr. leven er rendierjagers in het wijdse toendragebied.
Zij breken geregeld hun tenten op om de jaarlijkse trekbewegingen van de kudden
te volgen. Toen rond 12.000 v. Chr. het klimaat warmer werd na de laatste ijstijd,
de Würm-IJstijd toen Nederland een toendragebied was waar mammoeten en
vooral rendieren leefden, kwamen hier de eerste echte mensen (Homo Sapiens).
Dat waren jagers, vissers en verzamelaars die eenvoudig gereedschap gebruikten
dat van hout, botten, huiden en tanden was gemaakt. Werktuigen die hard moesten
zijn, zoals pijlpunten, messen, bijlen of hamers werden van steen gemaakt. Vandaar
de naam Steentijd.
Vanaf
ca. 8000 v.Chr.: mesolithicum (de midden steentijd)
Vanaf 8500 jaar v. Chr. verbetert het klimaat zienderogen. Berk en den veroveren
de toendra en later vormen hazelaar, eik, iep en els uitgebreide bossen. Mens
en dier passen zich hier wonderwel bij aan. Terwijl de rendierjagers met hun
kudden steeds noordelijker trekken, komen nieuwe bewoners onze gewesten binnen.
Kustbewoners vissen en jagen langs steeds veranderende rivierlopen, moerassen,
kreken en stranden. Zij bouwen vlotten en kano's, waarmee ze over grote afstanden
kontakten met elkaar onderhouden.
Vanaf
ca. 5300 v. Chr.: neolithicum (de nieuwe steentijd)
Landbouwers uit het Donau-gebied, die op zoek gaan naar vruchtbare gronden,
komen omstreeks 5300 v. Chr. als pioniers op de lössgronden in Limburg
terecht. Ze verwijderen -met hun grote geslepen vuurstenen bijlen en dissels-
bossen om akkers aan te leggen, houden vee, bewaren voedsel en zaaigranen in
aardewerken potten, maken naast lederen ook linnen kledij en bouwen huizen van
wel 35 meter lang. Omstreeks 4900 v. Chr. is het verdwijnen van deze boeren
even verbazingwekkend als hun komst. De jagers/verzamelaars hebben het bos weer
voor zich alleen. Langs kusten en rivieren in het noorden lijken vissers en
jagers geleidelijk aan meer voordeel te zien in kleinschalige veeteelt en akkerbouw
naast hun jagersbestaan. De vochtige bodem laat dat echter alleen toe op de
hogere zandruggen in Drenthe.
4500
- 3700 v. Chr.: Swifterband cultuur
Ongeveer 4500 v. Chr. proberen vissers in combinatie met landbouw-kennis een
bestaan op te bouwen in de buurt van het huidige Urk. Ze maken aardewerk met
een typisch puntige bodem en houden kleine koeien. Het lijkt een tussenvorm
van jagers/verzamelaars en landbouwers.
3500
- 2900 v. Chr.: Hunebedbouwers en het Trechterbeker volk
De steeds groeiende vraag naar vuursteen leidt zelfs mijnbouw, waarbij men in
het Limburgse Rijckholt omstreeks 3500 v. Chr. tot op dieptes van 15 meter vuursteenlagen
aanboort. Later zal het gebruik van brons en nog later ijzer die activiteiten
afzwakken. Vanaf 3500 v. Chr. wordt landbouw (incl. veeteelt) op de hoger gelegen
gronden voor velen hoofdbron van bestaan. Boven de rivieren zijn boeren vooral
aangewezen op het Drents plateau. Daar hebben ze een tijd lang hun doden in
hunebedden begraven. Beneden de rivieren vinden ze lange tijd hun bestaan naast
de jagers/verzamelaars. Ze kappen wat bos om akkertjes aan te leggen, die ze
jaren later uitgeput achterlaten. Op de armere zandgronden vormen deze de eerste
heidevelden, waar de boer zijn vee (o.a. een klein soort schaap) op laat grazen.
Men leert wol te spinnen en te gebruiken als kleding.
Vanaf
3000 v. Chr.: volksverhuizing
Vanaf 3000 v. Chr. lijken vissers, jagers en boeren zich steeds meer met elkaar
te mengen. Volkeren uit het Verre Oosten bedreigen echter hun vreedzame nederzettingen.
Vanuit Azië dringen paardrijdende herders snel Noord-Europa binnen en kappen
bossen om weilanden aan te leggen voor hun vee. Ze vormen een gevaar voor de
akkers van de boeren. Gewapend met strijdhamers verwerven zij zich een plaats
in deze maatschappij. Ook zij gaan eeuwen later vreedzaam op in de plaatselijke
bevolking.
2400
- 2000 v. Chr.: het Klokbekervolk
Langs de hele Atlantische kust tot aan Noord-Afrika, maar ook op de Veluwe en
in eilanden de Middellandse Zee leven volkeren met een identieke soort aardewerk.
Op de Veluwe lijken de eerste metaalbewerkers te horen tot dit volk. Een smid
gebruikt grote, rechthoekige stenen aambeelden om koperen "tongdolkjes"
te maken. In Spanje zijn identieke dolkjes gevonden. Op Malta komen daar nog
stenen bouwwerken bij die dienen als heilige plek.
2000
- 800 v. Chr.: de bronstijd
Nederzettingen staan met elkaar in contact. Houten paden worden aangelegd tussen
nederzettingen. Zelfs veengebieden worden opengelegd door de aanleg van veenbruggen.
Buitenlandse handelaren maken van deze paden gebruik om de nieuwste "Europese"
snufjes aan de man te brengen. Ca. 1500 v. Chr. verhandelen ze vee, graan, zout
en sieraden, barnsteen en bont, tin, koper en brons en misschien ook bijenwas
voor de bronssmelters. Ze trekken van Portugal tot Zweden, van Engeland tot
de Alpen, van Skandinavië tot de Middellandse zee.
Veel profijt hebben "onze" boeren hiervan niet gehad. Hun wollen kledij,
hun vee, graan en honing hadden weinig "internationale" waarde. Zelfs
als smeden hier ook erin slagen ijzeren voorwerpen te maken, zal hun eigen ijzeroer
nauwelijks verkoopwaarde hebben. De laatste periode in onze prehistorie wordt
gekenmerkt door grote periodes van koud en vochtig klimaat. Dit heeft een rol
gespeeld bij de vele volksverhuizingen, die merkbaar zijn tot in de Lage Landen.
Het oorlogsgeweld, waarmee het elders bij Germanen, Kelten/Galliërs en
mediterrane volkeren gepaard ging, is hier niet merkbaar. Op de zandgronden
neemt de bevolking geleidelijk aan toe tot zo'n 4 inwoners per km 2. Verlaten
kuststreken van Noord-Frankrijk tot Denemarken worden in gebruik genomen voor
veeteelt en landbouw. Wanneer omstreeks 300 v. Chr. het zeepijl stijgt, werpen
de bewoners, ook Friezen genaamd, terpen of wierden op ter bescherming van have
en goed.
800
v. Chr. - 50 na Chr.: de ijzertijd
Beneden de rivieren merkt men geleidelijk aan het ontstaan van rijk en arm,
van grootgrondbezitter en afhankelijke. De leider, die vaak ook een militaire
functie vervult, laat zich begraven met wapens en bezit. Vooral in de Ardennen
en Henegouwen ontstaat een rijke Keltische/Gallische cultuur, door ijzer- en
goudwinning rijk beslagen. Deze nieuwe adel slaat munten en bewoont grote burchten,
die door de Romeinen slechts moeizaam veroverd worden. In de Kempen is de Keltische
uitstraling gering, hoewel ook hier enkele munten zijn gevonden. De komst van
de Romeinen stoort veel meer de vrede in dit gebied. De boer zal er jarenlang
lijdzaam verzet plegen vanuit de verraderlijke venen en moerassen. Uiteindelijk
zal ook hij zich neerleggen bij de nieuwe situatie.
Bron: http://www.angelfire.com/me/prehistory/geschiedenis.html
| | Volgende periode | | Geschiedenis overzicht | | Staatshoofden | | Homepage |